Copyright 2017 - Henk van den Beukel

A. Inleiding

“Stateloos”
Op de deportatielijst van Assense Joden komt een aantal namen voor, waarbij vermeld werd: “Statenlos”. Het ging om Joden afkomstig uit Duitsland, die door de `Reichsbürgergesetz´ hun Duitse staatburgerschap verloren hadden: het simpele feit dat zij in het buitenland verbleven, was voldoende reden om deze diepingrijpende maatregel te nemen.

In de Assense samenleving waren er twee groepen Duitse vluchtelingen. De ene groep woonde sinds kortere of langere tijd te Assen, en had – zo goed en kwaad als dat ging – een plek in het maatschappelijke leven ingenomen. Hun namen worden dan ook gewoon bij al die andere Joods inwoners van Assen genoemd.

De andere groep was vast ervan overtuigd dat het verblijf in Nederland slechts tijdelijk was. Ze waren als pioniers op weg naar Palestina, en verbleven slechts in Nederland om hier de benodigde vaardigheden op te doen. Ze waren in de kost bij een Joods gezin te Assen en werkten bij boeren op het aan Assen grenzende Zeijerveld.

Palestina-pioniers (chaloetsim)
Al de eeuwen door had Israël, de naam van het door God toegezegde land, een magische klank. Door de toezegging van Lord Balfour uit 1917, [1] dat Palestina een `Joods tehuis´ kon worden, leek een oude droom werkelijkheid te worden: terug naar Zion, de stad van koning David. [2]

Per jaar werd slechts een beperkt aantal Joden tot het Britse mandaatgebied toegelaten. Voorwaarde voor de toelating was het bezit van een Palestina-certificaat of Palestina-pas. Deze kon verkregen worden na het volgen van een gedegen agrarische opleiding. Met name in Centraal- en Oost-Europa ontstond een uitgebreid netwerk van opleidingscentra. De opleiding heette `hachsjara´ (letterlijk: voorbereiding op een bepaalde taak, met name het leven in Palestina), en de migratie naar het mandaatgebied `alijah´ (letterlijk: opgang).

Aanvankelijk was in Nederland de belangstelling om zich als Palestina-pionier te laten opleiden gering. De oudste pioniersvereniging in ons land werd in 1918 opgericht door Rudolf (Ru) Cohen (1889), broer van de latere voorzitter van de `Joodse Raad´, dr. David Cohen. De zogenaamde Deventer-vereniging had, in tegenstelling tot de latere hachsjara-instellingen, geen eigen woon- of werklocatie. De leerlingen woonden en werkten bij boeren verspreid over heel Nederland. Deze vorm van opleiding werd wel `Einzelhachsjara´ genoemd. Voor theoretische vakken en culturele activiteiten kwam men samen in het verenigingsgebouw `Beth Chaloets´ (Pioniershuis) in Deventer. [3] De Palestina-pioniers uit het Zeijerveld stonden in nauw contact met de Deventer-vereniging.

Door het opkomende antisemitisme nam ook in Nederland de belangstelling toe, om naar een eigen Joodse staat te gaan. Bovendien kwam er een grote stroom Duitse joodse vluchtelingen, kinderen en volwassenen, naar ons land. Onder de Duitse Joden leefde het pioniersgevoel. Er werden diverse werkcentra opgericht, o.a. het Werkdorp Wieringermeer. Voor kinderen onder de achttien jaar bestonden aparte opvangcentra, waarvan het `Paviljoen de Loodrechte Rade´ de grootste en meest bekende was.

Van de Palestina-pioniers waren er 211 met Deventer verbonden. Van deze groep kwamen er 116 om, terwijl 105 de oorlog overleefden. Uiteindelijk waren er 23 die hun vooroorlogse plannen waar maakten en naar Palestina vertrokken. [4]

Westerweel-groep
joachim simonVanuit de Loosdrechtse Rade zette de Duitse vluchteling Joachim Simon (1919-1943 en getrouwd met Sophie van Coevorden, geboren op 23 mei 1917 te Coevorden; heeft de oorlog overleefd) een uitgebreid netwerk op om onderduikers onder te brengen en om vluchtroutes te organiseren.

Hij deed dat samen met de Rotterdamse onderwijzer en pacifist Johan Gerard (Joop) Westerweel (1899-1944)[5] en diens echtgenote, Wilhelmina Dora Bosdries(1908-1999). Het eigene van deze verzetsgroep was, dat zowel Joden als niet-Joden ervan deel uit maakten. Bij de Joodse deelnemers ging het met name om Palestina-pioniers. Leden van de Deventer-vereniging deden volop mee. Dankzij de inzet van de groep Westerweel werden een 400 jonge Duitse joden gered.

 

B. De leden van deze groep

De Palestina-pioniers op het Zeijerveld
Er is een groepsfoto bewaard gebleven van een aantal Palestina-pioniers van het Zeijerveld. [6]

Galoetsim

Op deze foto van Siegbert Pinkus staan op de achterste rij vlnr: Harald Simon, Siegbert Pinkus, Hans Eisner, Max Windmüller, Herbert Levy, ..?.. en Schraga Engel. Op de voorste rij bevriende meisjes: Hetty Stern, Edith Keizer (op bezoek), Betty Cohen, Adina van Coevorden (op bezoek), Carry Denneboom en Gonnie van Oosten.

Jammer genoeg staat niet de volledige groep afgebeeld. Daarom geven we hieronder een zo volledig mogelijk geschreven portret van deze jonge idealisten. Dat er uitgebreide contacten waren met de groep van de Deventer Vereniging in Weerselo blijkt wel uit het bijgaande artikel van Mariët Blokhuis. [6a]

Josef Rolf Calmanowitz
Josef Rolf Calmanowitz2In alfabetische volgorde is Josef Rolf Calmanowitz de eerste Palestina-pionier op de Assense deportatielijst. Volgens die lijst werd hij geboren op 19 november 1919 te Leipzig; later werd die geboortedatum (ten onrechte) vervangen door 19 april 1921. Hij was een zoon van Karl en Magina Calmanowitz-Strausz. Vanuit Leipzig vertrok hij naar Berlijn om vandaar naar Nederland te vluchten: in maart 1939 kwam hij te Voorst aan, een maand later werd hij te Enschede ingeschreven en een klein jaar later te Brummen. In april 1941 kwam hij wonen aan de Oosterparallelweg 69 te Assen, bij bakker J. Cohen; vier maanden later verhuisde hij naar de Rolderstraat 54, het woonadres van de familie D. Magnus. Samen met Isaäk Kurt Niedermann dook hij onder bij de familie A. v.d. Hoorn te Gorssel. Zij beiden werden gearresteerd en kwamen in het Huis van Bewaring te Arnhem; daarvan werden zij overgebracht naar het kamp Westerbork. Op 6 november 1942 werd hij gedeporteerd naar Auschwitz. Op 13 maart 1943 werd hij op transport gesteld naar het vernietigingskamp Sobibor, waar hij op 31 maart 1944 overleed. [7]

Hans Israel Eisner
Hans EisnerDe naam Hans Eisner komt niet voor op de Assense deportatielijst. Hij is geboren 21-01-1921 Hindenburg, Dtsl. (nu Polen) als zoon van Hermann Eisner en Friedel Heymann. Via de groepsfoto weten we dat hij wel contact had met de Assense groep van chaloetsim. Het is onbekend of hij ook (tijdelijk) in Assen gewoond heeft. Hans Eisner heeft de oorlog overleefd.
Hij verbleef in Weerselo van maart 1939 tot december 1939, daarna vertrok hij naar Rheden.
Hans kwam in maart 1939 vanuit Spreenhagen via de vliegschool Teuge naar Nederland.
Hij was een pionier van de Deventer Vereniging en woonde later bij de familie Vallinga in Deventer
[8], de ouders van Hennie Smies-Vallinga uit Hengelo.
Hans is later ziek geworden (TBC) en heeft rond oktober 1945 in het sanatorium te Appelscha gelegen. In
december 1949 verbleef hij in een sanatorium te Davos, Zwitserland.

Ferencz (`Schraga´) Engel
Ferencz (Schraga) EngelFerencz Engel werd geboren op 7 september 1917 te Parkan (Hongarije), vlakbij de grens met Tsjecho-Slowakije.
In mei 1938 kwam hij in Nederland aan, en woonde te Weerselo. Schraga verbleef van mei 1938 tot december 1938 bij de familie ter Haar op 'De Koekoek' te Hasselo nr. 42 [9] Na vele omzwervingen kwam Schraga in maart 1941 te Assen terecht, bij de familie Michiel Dantzich aan de Sluisstraat 4. Hij werd gedeporteerd maar overleefde de oorlog. Tijdens die oorlog verbleef hij bijna een jaar te Parijs, van waar hij tal van pioniers op weg hielp naar Zwitserland. Door verraad werd hij gearresteerd en zat daarna in zeven kampen gevangen. De rest van zijn leven was hij door deze periode getekend: psychisch door alles wat hij had meegemaakt, lichamelijk doordat hij enige malen uit de trein gesprongen was, die hem naar een volgend kamp bracht; telkens weer werd hij gearresteerd. Op 6 september 1945 trouwde hij met Winnie Nabarro. En vanaf januari 1946 woonden zij aan de Anreeperstraat 64. Vandaar emigreerden ze naar Israël. Daar overleed hij op 10 december 1987.

Kurt Hannemann
Kurt HannemannVan Kurt Hannemann is bekend, dat hij behoorde tot de groep van jonge Duitse zionisten die zich op het Zeijerveld voorbereidden op een bestaan als landbouwer in Palestina. Van hem is geen woonadres te Assen, wel te Deventer bekend: Papenstraat 45, Deventer (voor die tijd zou hij gewoon en gewerkt hebben te Warnsveld). Hij werd geboren op 9 januari 1919 te Berlijn, als zoon van Georg Hannemann and Lilly Hannemann-Samson. Op 31 maart 1944 overleed hij op een onbekende plaats. In de tussentijd was hij (de naaste) medewerker geweest van de bezielde leider van het verzet door de Palestina-pioniers: Joachim (`Schuschu´) Simon (Berlijn, 12 november 1919 – Breda, 27 januari 1943). Hun beider naam staat te lezen op een zwarte granieten tafel, die in 1963 geplaatst werd in het Westerweelwoud in Israël. [10]

Herbert Levy
Herbert Levy3Volgens de deportatielijst was hij op 29 januari 1921 te Berlijn geboren, en woonde hij op de Rolderstraat 54 (het woonadres van de familie D. Magnus).  Herbert Levi of Levy was de zoon van Max Levi/Levy en Edith Noiman/Neumann. Hij kwam uit Bielefeld en werd op 6 januari 1939 ingeschreven bij de gemeente Voorst. Op 2 april 1941 volgde de inschrijving bij de gemeente Assen, op het adres Javastraat 3. Blijkens twee briefkaarten verbleef hij in 1943 in het Arbeitslager Jawischowitz, een subkamp van Auschwitz. Het staat vast dat hij overleden is, maar waar en wanneer is onbekend. Gelukkig staat zijn naam vermeld op het grafmonument voor de Joodse Assenaren.

 


Ies Löwenberg
Isaac (Ies, later Jitschak) Leuvenberg werd in 1920 te Rotterdam geboren, als het negende en laatste kind van Salomon Elias Leuvenberg en Cato Hartog. [11] Toen Isaac nog klein was, verhuisde het ouderlijk gezin naar Nijmegen waar vader Leuvenberg op 24 oktober 1931 overleed. Kort daarna verhuisde de weduwe met de kinderen naar Haarlem. Daar werd Isaac lid van de plaatselijke zionistische groep Machi. Op zeventienjarige leeftijd besloot hij – tegen de zin van zijn familie – om een opleiding te gaan volgen bij een boer, om een goede start te hebben voor emigratie naar Palestina. Hij sloot zich aan bij de Deventer Vereniging, de organisatie die de Palestina-pioniers in Nederland verenigde en hen op uiteenlopende locaties stationeerde. Zo kwam Isaac in september 1940 te Zeijerveld terecht, bij boer Jan Schoon van de boerderij de Dolly Hoeve (H 31, nu Binnenweg 3). Toen in februari 1941 de verplichte registratie van Joden plaats vond, bleek hij de enige Jood in de gemeente Vries te zijn. Volgens de door hem ingevulde gegevens op dat formulier was hij in mei 1940 lid van de Joodse gemeente te Assen. In mei 1941 verhuisde Isaac naar Assen, naar het woonadres van Michiel van Dantzich, Sluisstraat 4. Hier zouden tien Palestina-pioniers gewoond moeten hebben. [12] Hij woonde daar enige tijd en vertrok toen naar Deventer. Op 15 juli 1942 trouwde hij aldaar met Jochebed Nathans. In het najaar van 1942 reisde het echtpaar heimelijk naar Zwitserland, welk land inderdaad bereikt werd. Na afloop van de oorlog vertrok het echtpaar naar Israël.

Isaäk Kurt Niedermann
Isaäk Kurt Niedermann werd op 17 augustus 1922 geboren te Frankfurt am Main (Duitsland), als zoon van Ferdinand Niedermann en Hedwig Strausz (Frankfurt a/M, 11 juni 1894/1895 – Amsterdam, 7 mei 1941). In augustus 1933 emigreerde hij met zijn ouders en zijn broer Simon Niedermann naar Nederland. Het gezin vestigde zich aan de Kromme Mijdrechtsestraat 55. Moeder Niedermann verdiende als zelfstandige modiste de kost. In 1938 verhuisde de familie naar het adres Nieuwe Prinsengracht 58-2 hoog, waar vader Niedermann in 1939 overleed. Vanaf december 1940 woonde hij,  zoals andere Palestina-pioniers, bij de familie D. Magnus op de Rolderstraat 54 te Assen. Om zijn deportatie te ontlopen, vluchtte hij naar Deventer en werd via de Westerweel-groep, samen met Josef Rolf Calmanowitz, ondergebracht bij de familie A. van Hoorn te Gorssel. Hij werd toch gearresteerd, kwam in het Arnhemse Huis van Bewaring en werd in oktober 1942 overgebracht naar het kamp Westerbork. Op 6 november 1942 werd hij gedeporteerd naar Auschwitz. Hij overleed 21 januari 1945 in het buitenkamp Blechhammer (Polen).

Siegbert Pinkus
Siegbert Pinkus werd op 10 april 1921 geboren te Merotschen (=? Mrotschen, Polen). Uit Bielefeld vluchtte hij naar Voorst, en verbleef ook te Hummelo. Vanaf april 1941 woonde hij te Assen, aan de Javastraat 3, het woonadres van de familie J. van Tijn; vandaar verhuisde hij naar de familie Magnus aan de Rolderstraat 54. Siegbert heeft de oorlog overleefd, en ging in juli 1945 wonen aan de Anreeperstraat 64, om in 1946 te verhuizen naar de Steendijk 116. Vandaar emigreerde hij samen met zijn vrouw, Betty Pinkus-Cohen, naar Israël. [13]

Erwin Schwab
Erwin Schwab3Erwin Schwab werd geboren op 14 augustus 1926 te Frankfurt am Main (Duitsland), als zoon van de koopman Siegfried Schwab en Frieda Freijsinger.  Hij vluchtte naar Nederland en woonde eerst te Naarden; in 1938 kwam hij samen met zijn broer Manfred en zijn zuster Hanna (Frankfurt am Main, 17 oktober 1923 - ?, 28 februari 1945) in Zeist terecht. [14] Vanaf september 1941 woonde Erwin te Assen, bij de familie M.M. Cohen aan de Steendijk 116, en vanaf februari 1942 bij de familie D. Magnus aan de Rolderstraat 54. Hij overleed op 31 juli 1944 te Midden-Europa.

Manfred Schwab
Manfred Schwab2Manfred Schwab werd geboren op 17 mei 1925 en was de oudere broer van Erwin.  Als eerste van de drie kinderen Schwab verliet hij Zeist en kreeg in september 1939 te Assen onderdak bij de familie M.M. Cohen, Steendijk 116. Zijn naam komt niet voor op de Assense deportatielijst: hij was reeds op 18 januari 1940 (!) in het kamp Westerbork opgenomen. Hij overleed op 9 mei 1945 in het concentratiekamp Buchenwald.

 

 

Harald Simon
Harald SimonHarald Simon werd geboren op 17 oktober 1920 te Bielefeld (Duitsland), als zoon van George Simon en Johanne Humburg.  In 1939 ontvluchtte hij Duitsland en kwam te Weerselo terecht. Vanaf augustus 1941 woonde hij korte tijd aan de Rolderstraat 54 te Assen, om vandaar naar de Oosterparallelweg 69 te gaan. Op 8 september 1942 trouwde hij met het Assense meisje Meta Cohen (Wildervank, 10 juli 1924 – Auschwitz, 22 oktober 1943, dochter van Mozes Mechiel Cohen). Samen met zijn vrouw probeerde hij aan de deportatie te ontkomen door onder te duiken. Dit mislukte en Simon Harald werd naar Polen gedeporteerd, waar hij op 31 maart 1944 overleed.

Max Windmüller
Zie hieronder

Voor de volledigheid
Voor de volledigheid noemen we de naam van een Nederlandse Palestina-pionier, die op de Assense deportatielijst voorkomt: Max Goudsmid, zoon van Mozes Lion Goudsmid en Louisa Benjamins. Geboren op 1 december 1919 te Rotterdam; in Assen in de kost bij bakker Josua Cohen, Oosterparallelweg 69. Hij heeft de oorlog overleefd en Palestina bereikt.

C.    korte biografie van Max Windmüller (1920-1945)

Merkwaardig is het dat uitgerekend van de laatste in de alfabetische rij, Max Windmüller, het meeste bekend is. [15] Over zijn leven en werken verscheen een boek, [16] en zelfs een film. [17]

Gezin
Max WindmullerMax Windmüller werd geboren op 7 februari 1920 te Emden, als zoon van de slager en veehandelaar Moritz Windmüller (Emden, ± 1878) en Jette Seligmann (Emden, 23 maart 1892). Naast de ouders bestond het gezin uit vijf kinderen: Salomon, Isaak, Max, Emil en een zuster.

In 1933 zag het gezin zich genoodzaakt om te vluchten naar Nederland. Via familieleden in Delfzijl en Beilen (familie van Gelder-Seligmann) kwam het in Groningen terecht.

Reeds enkele jaren later, op 2 mei 1937, overleed vader Moritz Windmüller te Groningen.

Zoon Isaak werd leider van een groep Palestina-pioniers en vluchtte in 1939 met het schip Dora naar Palestina.

De oudste zoon, Salomon Windmüller (Emden, 12 oktober 1910) huwde met Ruth Kornblum (Rybnik, Polen, 9 mei 1907, dochter van Max Kornblum en Hulda Leubuscher). Het echtpaar kreeg op 14 juli 1942 te Groningen een zoon, Maurice.

In 1942 sloeg het noodlot toe. Samen met moeder Windmüller werd het gezin Windmüller naar Auschwitz gedeporteerd. Om 3 december 1942 overleed Ruth Windmüller-Kornblum, op 15 december moeder Windmüller, op 31 maart 1943 zoon Salomon en op 11 februari 1944 kleinzoon Maurice.

De weduwe Windmüller-Seligmann was nog in ondertrouw gegaan met de schoonvader van Salomon, Max Kornblum; het huwelijk kon echter niet voltrokken worden omdat ze op transport gesteld waren. Max Kornblum overleed op dezelfde dag als Jette Seligmann.

Dankzij zijn broer Max deed Emil een geslaagde vluchtpoging naar Spanje.

De jonge jaren van Max
Max Windmüller5Max had van 1926 tot 1933 gezeten op de joodse lagere school te Emden. In de laatste klas van die school werd hij lid van de socialistische jeugdbeweging.

Max WindmüllerEenmaal in Nederland sloot Max zich aan bij de groep Palestina-pioniers, die onder leiding van zijn broer Izaak stond. Zijn agrarische opleiding kreeg hij op het Zeijerveld: samen met Schraga Engel werkte hij bij het echtpaar Willem Leendert van der Spoel (Velsen, 1890) en Neeltje Snijder (Haarlemmerliede 1889). Toen zijn broer Izaak zich inscheepte op het schip Dora vergezelde Max hem. Op het laatste moment liet hij zich bepraten om in Nederland te blijven om mede-leiding te geven aan de Palestina-pioniers. Eenmaal terug, leerde hij zijn latere verloofde kennen, Metta Lande (1924), een gevluchte Jodin uit Wenen. [18]

Bij de deportatie van de Joden in Assen stond Max ingeschreven op het adres Javastraat 3 te Assen, het woonadres van de familie J. van Tijn.

Onderduik in Nederland
Gedurende dertien maanden, vanaf juli 1942, verbleef Max, samen met zijn broer Emil, als onderduiker in Nederland, met name in Amsterdam en Haarlem. Hij sloot zich aan bij de verzetsgroep-Westerweel. Precies op tijd kwam deze groep achter de plannen om de kinderen van de Loosdrechtse Rade te deporteren. Op 16 augustus 1942 werden meer dan dertig kinderen uit de Loosdrechte Rade meegenomen en op onderduikadressen ondergebracht.

Max Windmüller werd in augustus 1943 gearresteerd en naar het kamp Westerbork gebracht. Reeds na enkele dagen wist hij te ontsnappen en zette zijn verzetswerk gewoon door. [19] Hij kreeg, samen met zijn broer Emil, onderdak bij Frans en Henny Gerritsen te Haarlem. Als drukker was Henny Gerritsen in staat om allerlei officiële documenten te vervalsen. Dankzij hem kreeg Max Windmüller een nieuwe identiteit: Co Andringa.

Werkzaam in Frankrijk
Max Windmüller verlegde zijn arbeidsterrein steeds meer naar Frankrijk. Hij hielp mensen de Frans-Spaanse grens te oversteken. Onvermoeibaar reisde hij tussen Holland, België, Bretagne, Parijs en Zuid-Frankrijk. Al doende wist hij een honderdtal jonge mensen, onder wie zijn broer Emil, op weg te helpen naar de vrijheid.

In het begin van 1944 gingen Max Windmüller en zijn verloofde Metta Lande in Parijs wonen. Op 18 juli 1944 werd Max in Parijs gearresteerd en naar het `Durchgangslager Drancy`, ten Noorden van Parijs, gebracht. Met het allerlaatste transport kwam hij in Buchenwald (op 17 augustus 1944 werd Drancy bevrijd). Uit angst voor de geallieerden dwingen de bewakers de gevangenen uit het kamp om op weg te gaan naar het concentratiekamp Flossenbürg. Op 21 april 1945, de vierde dag van die tocht, wilde Max wat water drinken uit een put en werd hij door een bewaker neergeschoten. Zo stierf hij één dag voor de bevrijding van de gedeporteerden.

In 1946 kreeg Max Windmüller postuum de medaille van het Franse verzet (`la Résistance Française´). In het Westerweelwoud staat een gedenkteken voor Joop Westerweel, Max Windmüller en hun medestrijders. Op 8 november 1988 werd de Webergildestrasse te Emden omgedoopt tot Max-Windmüller-Strasse.

In Amsterdam werd in 1988 een monument onthuld, dat gewijd is aan de Joodse verzetstrijders. [20] Ten minste 1.000 Joden waren direct bij het verzet betrokken. De helft daarvan moest dit met de dood bekopen. Max Windmüller was een van die vijfhonderd.

Dr. Jan Ridderbos, Assen


[1] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Balfour-verklaring
[2] Zie het artikel van D.M. Metz, `Palestina-pioniers in Nederland´, in Misjpoge.Tijdschrift voor Joodse genealogie, jgr. 20, nr. 3; nu ook op https://www.joodsmonument.nl/nl/page/343281/palestina-pioniers-in-nederland. En het artikel `Zionisme en hachsjara´, op https://www.joodsmonument.nl/nl/page/751/zionism-and-hakhsharah.
[3] Blijkbaar was er ook in Enschede zo´n opleiding, zie L.F. van Zuylen: Palestinapioniers in Twente 1933-1945. Een vergeten hoofdstuk, Enschede (Twente Akademie) 1995.
[4] J. Presser: Ondergang, Den Haag 1965, dl. II, p. 15.
[5] Zie voor hem Willem G. van Maanen, in Evert Werkman (ed.): Ik neem het niet, Leiden 1965, p. 263-268.
[6] F.J. Hulst & H.M. Luning: De joodse gemeente Assen, Assen (Vanderveen) 1991, p. 137.
[6a] Zie het artikel van Mariët Blokhuis over de groep in Weerselo op http://oorlogsdodendinkelland.nl/wp-content/uploads/2016/08/Alle-Palestina-pioniers-in-de-gemeente-Weerselo-1.pdf
[7] Zie acte van overlijden,  http://alledrenten.nl/akte/josef-rolf-calmanowitz/3792c801-e68d-4e53-b272-3685de2401fc

[8] Hans Eisner https://www.joodsmonument.nl/nl/page/443978/palestina-pioniers-in-de-gemeente-weerseloo
[9] Ferencz/Schraga Engel https://www.joodsmonument.nl/nl/page/443980/palestina-pioniers-in-de-gemeente-weerselo
[10] J. Presser: Ondergang, Den Haag 1965, dl. II, p. 13
[11] Zie Jochebed Leuvenberg-Nathans Twee Palestina-pioniers in oorlogstijd, Bedum (Profiel) 2000.
[12] Zie drie foto's van Asser Palestine-pioniers in bovengenoemd werk, p.15 (Leuvenberg, Windmuller, Engel en Calmanowitz) en 17.
[13] Zie het verhaal van zijn vrouw, Betty Pinkus-Cohen, in Hulst & Luning, p. 185-186.
[14] Hanna ging naar de familie Abraham Gans te Winterswijk.
[16] Klaus Meyer-Dettum: Max Windmüller (1920-1945). Eine Recherche, Emden (Arbeitskreis Juden in Emden) 1997.
[17] Eike Besuden (regisseur): `Deckname Cor – Die dramatische Geschichte des Max Windmüllers´ (Pinguin Film); zie http://www.youtube.com/watch?v=dbIpyFqM9rM
[18] Meta Lande heeft de oorlog overleefd, en is naar Israël geëmigreerd, waar ze huwde en bekend stond als Shulamit Roethler.
[19] Er zijn twee verhalen over de onderduikperiode van Max Windmüller, die moeilijk in bovenstaande beschrijving ondergebracht kunnen worden: iedere tijdsaanduiding ontbreekt en de onderlinge samenhang is onduidelijk. Mw. L. Engberts te Zwolle deed eigen onderzoek naar deze periode, en sprak o.a. met Gerard van der Spoel en Gerard Huizinga, beiden te Assen. Volgens deze versie was Max Windmüller eerst ondergedoken bij de familie Van der Spoel, en later – gedurende korte tijd – bij de familie Huizinga te Assen. In een terugblik op de oorlogsjaren geeft Jaap van Oosten een overzicht van zijn onderduikperiode: samen met zijn broer Leo en Max Windmüller zou hij eerst korte tijd geweest zijn bij de weduwe Nijmeijer te Anreep, daarna twee nachten in een schoolgebouw, enkele dagen bij Teun de Jong te Assen, een onbepaalde periode bij rechercheur Jantinus Bonder te Den Haag, neef van de verzetsman Geert van Wijk. Daarvandaan deden ze een mislukte poging om de Belgische grens te overschrijden. Vanaf dat moment is het onduidelijk, hoe het met Max Windmüller verder gegaan is (Hulst & Luning, p. 175).
[20] Zie http://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/zoeken/monument-detail/_rp_main_elementId/1_11526 

Literatuur


  • I. Brasz (e.a.), De jeugdalijah van het Pavilioen Loosdrechtse Rade, Hilversum 1987
  • J. Leuvenberg-Nathans, Twee Palestina-pioniers in oorlogstijd, Bedum 2000
  • Lisette Lewin: Vorig jaar in Jeruzalem. Israël en de Palestinapioniers, Amsterdam 1996
  • F. Püttmann (e.a.), Markante Nederlandse Zionisten, Amsterdam 1996
  • H.B.J. Stegeman, en J.P. Vorsteveld, Het Joodse werkdorp in de Wieringermeer 1934-1941, Zutphen 1983
  • F. van der Straaten, Palestina-pioniers in Nederland gedurende de oorlogsjaren 1939-1945, Capelle a/d IJssel z.j.
  • F. van Zuylen, Palestina-pioniers in Twente, 1933-1945. Een vergeten hoofdstuk, Enschede 1995

 

Zoekterm invullen + 'Enter'